Wanneer de onwerkelijkheid zo lang, zo veel generaties, zo indringend is aangeleerd en geleefd, dan is het logisch dat overgave aan werkelijkheid in het begin wat moeite kost. Werkelijkheid. Moeite moeten doen om werkelijkheid te ervaren. Het is toch wat. De enige objectieve realiteit is volkomen en non-duaal. Dit is voor de puur rationeel-analytisch opgevoede mens, eenvoudig niet zo maar te bevatten.

Non-dualiteit, de overgave aan werkelijkheid, wordt ervaren als de grote bedreiging. Niet allen bedreigend voor al de zogenaamd goede dingen die er in de wereld, meestal onder meer of minder subtiele vormen van regulering, worden afgedwongen. Nee, dit gaat veel verder. De gevoelde dreiging bij de oproep om door overgave aan het allerhoogste, elk vorm van persoonlijke identiteit te verliezen, is het universeel aanwezige besef dat het feitelijk bestaan van afgescheiden, individuele identiteiten, niet meer dan een farce, een niet bestaande illusie is.

De menselijke aandacht is voor tenminste negentig procent gericht op illusie. Geen wonder dat er vaak alles aan wordt gedaan om dat wat feitelijke juist en echt is, zo ver mogelijk buiten de deur te houden. Het wordt gezien als bedreiging voor het zelf, de groep en soms zelf als bedreiging voor de maatschappij als geheel. Het is deze basishouding van angst die de werkelijkheid van non-dualiteit, totale vrijheid, kwaliteitsbewustzijn, liefde, harmonie en welbevinden zo beperkt laat zijn. Waanzinnig toch? En dat terwijl iedereen precies hetzelfde wil. Mensen? Moeilijk doen. De enige kunst die tot in de perfectie is georganiseerd.